Sorry guys … only in Dutch. The English version is in my blog.
De laatste file
“Als je maar zorgt dat je om half 7 vertrokken bent, dan ben je de files ruim vóór”, wist ik van jaren geleden, uit de tijd dat ik nog dagelijks naar Amsterdam reed. Dat blijkt inmiddels verouderde data, want het verkeer loopt al vast bij Zaandam.
De net opkomende zon zet de honderden ramen van de Zaanse flats aan de rechterkant van de weg in een oranje licht. Het is de hele week al warm voor de maand september en ook op deze vroege ochtend kruipt het temperatuurmetertje op het dashboard gestaag omhoog. De radiator van de bijna 20 jaar oude Golf is al een hele tijd kapot en het mooie weer in combinatie met het voetstaps filerijden is dè manier om een kokende motor te veroorzaken. Op dit moment kan ik me niets ergers voorstellen dan autopech. “Alles is goed, maar alsjeblieft niet tijdens dèze rit!” Een beproefde truc om een heetloper te voorkomen –of op zijn minst uit te stellen- is de verwarming op vol vermogen te zetten zodat de motor zijn warmte een beetje kwijt kan.
De APK is nu driekwart jaar verlopen en het ding begint er al behoorlijk afgetrapt uit te zien. Bruine leksporen van roest lopen langs de deurlijsten en de groene aanslag op de ooit witte lak geeft ook te denken …
< < <
Aan het begin van deze week reden Frank en ik in de buurt van IJmuiden en werden al een minuut of vijf strak achtervolgd door een politiewagen. We probeerden geen enkele aanleiding te geven om aangehouden te worden, want we hadden onze auto deze laatste paar dagen zo verschrikkelijk hard nodig. Ik betrapte mezelf er op dat ik, met mijn armen over elkaar als een schoolkind, zo netjes mogelijk voor me uit zat te kijken. Niet opvallen, zodat ik geen beurt zou krijgen. Kies maar een zwaaiend kind, of eentje die stom zit te lachen.
Als we maar eenmaal binnen de hekken waren, dan kwamen we misschien wel weg met een smoes.
Met ingehouden adem stuurden we het terrein van onze bestemming op en parkeerden ons wrakje keurig in een van de vakken. De agenten draaiden hun auto haaks achter die van ons, zodat we niet alsnog konden ontsnappen. Alsof dat een optie was. Maar goed, ze hadden vast al minder timide overtreders meegemaakt.
“Goedemiddag mevrouw, mijnheer,” zei de agent.
“Goedemiddag,” antwoordden wij zoet.
“We hebben onderweg uw kenteken laten checken en het blijkt dat er een aantal dingetjes niet in orde is …”
Frank opende zijn mond om iets te zeggen en ik was benieuwd hoe hij dit ging oplossen.
“… maar we begrijpen dat u hier een afspraak heeft,” ging de agent verder, terwijl hij met een korte hoofdknik richting de grote hal wees. De rest van zijn woorden verdween in het luide geraas van een opgekrikte touringcar waarvan het gaspedaal kennelijk tot op de bodem werd ingetrapt.
“Ja,” knikten wij schuldbewust, en ik benadrukte dit antwoord door alvast wat papieren op mijn schoot te herschikken.
“Nou, dan wensen we u succes,” zei hij nadat hij zijn blik even fronsend over de Golf liet gaan.
We zwegen verbluft toen hij zonder verder commentaar weer in zijn wagen stapte en vertrok.
“Niet bewegen, anders worden we misschien wakker,” fluisterde ik.
Pas nadat de politiewagen helemaal uit het zicht verdwenen was, stapten we uit en liepen het gebouw van de Rijksdienst van het Wegverkeer binnen. We hadden helemaal geen afspraak, maar moesten gewoon een nummertje trekken. En een APK voor die laatste paar dagen was ook helemaal niet de bedoeling …
Na een uur rondhangen tussen de autoverkopers, de sloperijbazen en mannen met doorlopende wenkbrauwen, konden we de twee klassieke Amerikaanse auto’s die we mee wilden nemen naar Nieuw-Zeeland, afmelden als geregistreerd in Nederland. Formeel waren ze nu klaar voor hun tocht over zee.
< < <
Voor de zoveelste keer ging ik in gedachten alle taken voor de komende dagen nog eens na. Aanstaande donderdag zouden er een paar mannen in de haven klaarstaan met een 12 meter lange container en met alle kennis en materialen om de auto’s aan de binnenkant vast te zetten. Alles is geregeld en iedereen is op de hoogte.
Totdat de receptioniste van het vervoersbedrijf verordonneerde dat de auto’s beslist op woensdagmiddag in plaats van donderdagmiddag naar de haven moeten komen .
“Dat kan helemaal niet want woensdag is de dag dat de container met huisraad gevuld moet worden. Die dag is al volledig bezet,” stampvoette ik een paar dagen geleden nog. “Het staat voor donderdag gepland!” riep ik. “Zo staat het in de agenda. Al weken. Al maanden!” zei ik nog eens met een rood aangelopen hoofd.
Natúúrlijk zou de receptioniste zorgen dat de jongens voor het ‘vastsjorren enzo’ aanwezig waren. “Vanzelfsprekend!” zegt ze onverstoorbaar. “We doen het niet voor het eeheerst!” zegt ze, alsof ik over iets heel anders klaagde.
< < <
De zon is inmiddels helemaal opgekomen en de file bij Zaandam staat nu compleet stil. Dankzij de volop draaiende verwarming is de temperatuur in de Golf nu tegen de 40 graden opgelopen. Ik hoor een ventilator ergens onder de motorkap onafgebroken te keer gaan. Het geluid is de laatste paar minuten veranderd. Er is een hoge toon bij gekomen. De raampjes staan wagenwijd open en ik ben zeiknat van het zweet. Maar erger nog, is de aanblik van die arme poes in de speciale kooi, die naast me op de passagiersstoel staat …
Ze hijgt als een hond … met wegdraaiende ogen van angst. Ik realiseer me dat ik zo nooit meer op de afgesproken tijd bij de dierentransporteur kan zijn. Het bord met Schiphol is zelfs nog niet eens in zicht. Ik moet hem waarschuwen, dat het ietsje later wordt.
Met mijn mobieltje bel ik de man die ik gisteren nog had willen sláán.
< < <
Na maanden van zorgvuldig uitrekenen wanneer welke injecties gegeven moesten worden, mochten we onlangs het finale uitreis-stempel in het dierenpaspoort laten zetten. Sommige injecties zijn snel verlopen en anderen werken juist pas na een tijdje op volle sterkte. Dit wordt afgerond met een bloedtest waarin de bewijzen van het chemisch offensief te zien moeten zijn. Ook deze finale bloedtest is maar een paar dagen geldig, dus dit belangrijke stempel, geplaatst door een of andere overkoepelende organisatie in Leiden, moet precies in die paar dagen verkregen worden. De stempel zèlf is trouwens ook maar een paar dagen geldig en moest op zijn beurt weer precies afgestemd worden op de vertrekdatum van de poes. Pini was hiermee nu ook, net als de twee auto’s, formeel klaar voor de tocht naar de datumgrens.
Op de terugweg van dat tripje naar Leiden, stopten we meteen even op Schiphol om de speciale reiskooi op te pikken. De maat van deze kooi stelde me nogal teleur. Ik had een kooi van een kleine vierkante meter verwacht, maar dit ding was niet groter dan zo’n kattenbak met deksel. Deze ‘kooi’ zal gedurende de reis 36 uur verzegeld zijn.
De dierentransporteur vroeg wanneer de Grote Dag zou zijn. En waarheen? “Donderdag! Overmorgen dus. Dan gaat ze naar Nieuw-Zeeland,” zei ik in nadrukkelijke, korte zinnen.
Waarom wist hij dat niet uit zijn hoofd? dacht ik gealarmeerd. Hoeveel katten gaan er nu per dag naar Nieuw-Zeeland?!
De dierentransporteur zei dat ik dan waarschijnlijk woensdag bedoelde. Ah gelukkig, er ging hem kennelijk tòch een lichtje op. “Nee, de kat vertrekt op don-der-dag. Dat staat op het ticket, dat we al maanden geleden geboekt hebben,” zei ik met een hogere stem dan ik wilde.
“Op donderdag laten we geen dieren naar Nieuw-Zeeland vertrekken,” zei de man.
“Want?!” vroeg ik na een korte stilte, waarin ik verwachtte dat hij verder zou praten.
“Omdat ze daar anders in het weekend arriveren. En dat is verboden.”
Mijn mond viel open. Tjonge, goed dat ik even langskwam. Hoe had ik dat anders geweten??? Maar woensdag is de dag dat de container voor het huisraad komt. En sinds kort dus óók de dag dat de auto’s naar de haven moeten worden vervoerd! Ik liep het kantoortje van de dierentransporteur uit, om in de buitenlucht het bloed uit mijn hoofd te laten zakken. In de verte op het viaduct bewoog zich bijna geluidloos een lange sliert van forensen richting het noorden. De dierentransporteur keek vanuit zijn kantoor onbewogen naar mijn boze rug en wachtte geduldig tot ik weer binnen zou komen.
Oké, als het niet anders kon, dan zou ik, zoals werd verzocht, al de volgende dag, om 7:15 uur met de poes voor zijn deur staan.
> > >
Een dik half uur later zit er weer beweging in de file, tegelijk met het moment dat ik mijn eigen paniek dwars door mijn troostende poezenwoordjes heen begint te horen. Ik druk op de toets die het laatst gebelde nummer oproept, om de dierentransporteur vlug te melden dat ik eindelijk uit de file verlost ben. Dat vind hij zeer verheugend nieuws, maar hij moet tot zijn spijt helaas ook mededelen dat de incheckmogelijkheid voor dieren inmiddels alweer gesloten is voor die dag.
Dat is niet zijn idee, babbelt hij er luchtig achteraan, maar het besluit van de RVV (het bureau van Vee Overzee, of zoiets). Hoe dan ook, hij zou het gezellig vinden als ik evengoed nog kom, maar ik hoef me niet te haasten.
Pini is intussen in staat van opperste wanhoop. Met de geluiden van de optrekkende auto’s door het open raampje, de snerpende ventilator op kniehoogte en de jammerende kat rechts kan ik nauwelijks iets verstaan. Ik moet mijn auto aan de kant zetten om het advies van de man aan te horen en durf de motor niet af te zetten uit vrees dat ik ‘m niet meer aangeslingerd krijg. Ik sta hier veel te veel in het zicht met dat ouwe lor op de vluchtstrook, maar ik moet nú iets beslissen.
We komen overeen dat de kat een nachtje op Schiphol blijft logeren en dat de man haar precies 24 uur later zal inchecken. Verder zou alles precies hetzelfde blijven.
Een kwartier later rijd ik het knarsende grint van de verder lege parkeerplaats op. Ik loop het stille kantoortje in en zet de kooi met Pini op de balie. Ze ziet er verschrikkelijk uit; alsof ze in het water heeft gelegen. Ik schuif de kooi nadrukkelijk tussen de vriendelijk snorrende computer en het lieflijke bloemstuk.
Aan de zijkant van het gebouw heb ik heus wel de golfplaten schuur gezien waar nog meer van deze reiskooien staan, met hysterisch blaffende honden er in.
Ik neem nog een fotootje van Pini, slik een traan weg en rij in de kokendhete auto haastig terug naar huis. “Niet aan denken, niet aan denken, niet aan denken,” zeg ik honderd keer tegen mezelf.
Onderweg valt er een kwartje … Wacht eens even! De kat mòcht – toch – helemaal – niet – op – donderdag – vertrekken?!
Omdat ze anders op de verboden zaterdag zou aankomen?!
Als ik de straat in rijd, zie ik dat de vrachtwagen met de opgelegde container is aangekomen. De vrachtwagen staat achteruit geparkeerd, tegen de open garagedeuren aan. Binnen hebben de mannen een schuine plaat hout tegen de openstaande container aangelegd en zijn ze al druk bezig om alles naar binnen te dragen. Het zal nog 4 uren duren voordat de container dicht kan.
“Waar bleef je nou zo lang?!” vragen ze.
In de loop van die ochtend wordt mijn vrees bewaarheid. Ik bel de dierentransporteur opnieuw en Pini’s vertrek op donderdag blijkt inderdaad niet mogelijk te zijn.
“Maandag dan maar?” vraagt de dierentransporteur aan de telefoon. Ik denk aan het Leidse uitreis-stempel dat tegen die tijd niet meer geldig is. Dit kàn gewoon niet waar zijn!
Een vertrek op maandag zou echter veel meer problemen opleveren. Wij zijn tegen die tijd al het land uit, dus dan zou Pini vanaf nu nòg 5 dagen op Schiphol moeten logeren in een ruimte die helemaal niet berekend is op een langer verblijf dan 1 dag. Ze zat nog steeds in die krappe kooi. Maar óók zou de geldigheid van een belangrijke bloedtest verlopen zijn; de kroon op een traject van injecties waarmee ik acht maanden eerder al begonnen was.
De container is pas half vol als de auto-ambulance precies om 12 uur toeterend komt voorrijden en Frank mee moet om de twee Amerikaanse auto’s die middag door de douane in de haven te loodsen.
Pas vroeg in de avond komt hij met de trein terug naar het inmiddels lege huis en heeft hij een onwaarschijnlijk bericht. Hij moet de volgende ochtend vroeg bij het havenkantoor terugkomen, omdat er deze dag niemand aanwezig was geweest om de auto’s te ontvangen …
Die oh zo gedecideerde receptioniste was nergens te bekennen. Iemand die haar taak waarnam zei dat Frank morgen ‘de eerste zou zijn’.
Ik weet niets opbeurends meer te zeggen. Ik heb zelf alles al opgebruikt.
Voor het reisprobleem van Pini waren drie mogelijkheden;
– Een hernieuwde bloedtest laten maken waarvan de uitslag gewoonlijk een maand op zich laat wachten.
– Vannacht het quarantainepension in Auckland bellen om te vragen of ze bij hoge uitzondering tòch op zaterdag een kat willen ontvangen. Desnoods voor meer geld.
– Of … vragen of ze alstublieft genoegen willen nemen met een bloedtest die maar 2 dagen verlopen is. Eigenlijk maar anderhalve dag, want het is daar 12 uur later.
’s Avonds zetten we de wekker op 1 uur ’s nachts om het quarantainepension in Auckland te bellen. Ik val niet in slaap en lig met tollende gedachten op de wekker te wachten in de logeerkamer van mijn schoonouders.
Om 1 uur nemen ze de telefoon niet op.
Om 2 uur zijn ze in gesprek. Dat biedt hoop, want dat moet betekenen dat er leven is aan de andere kant van de wereld.
Om kwart over 2 zijn ze nog in gesprek.
En om half 3 horen we dat de hoorn aan de andere kant wordt opgenomen.
“Nee hoor, het is helemaal geen probleem om de kat op zaterdag te ontvangen. Natuurlijk niet! Hoe komt u dáár nou bij?!”
De rest van de tijd blijven we wakker liggen, totdat de wekker om 5 uur opnieuw gaat …
Op weg naar de Rotterdamse haven bel ik de dierentransporteur om 6 uur uit bed. “Dat mocht”, had hij de vorige dag meelevend gezegd. Hij klinkt echter helemáál niet of hij werkelijk bij zijn positieven is en ik hoop vurig dat hij niet opnieuw in slaap valt. Hij moet immers NU onmiddellijk naar zijn kantoor om te proberen een noodvlucht te boeken, ter vervanging van de al maanden van te voren vastgelegde vliegtrip voor Pini. Ik moet me bedwingen om 5 minuten later geen controle-telefoontje te plegen, of hij ècht wel is opgestaan.
Om 7 uur arriveren we bij het havenkantoor. Een half uur te vroeg. We worden verzocht om in de kantine plaats te nemen totdat iemand tijd voor ons heeft.
De kantine van het havenpersoneel is reuzegezellig. Een rij kluisjes langs uitsluitend herentoiletten. Compleet met tietenkalenders. En de ochtendgroet luidt nog onveranderd “valter hieah nog watte neukah?” waarna de mannen wat schaapachtig glimlachen omdat er vandaag ineens ‘gasten’ blijken te zijn. We glimlachen schaapachtig terug.
Om 8 uur houd ik mijn nieuwsgierigheid niet langer in bedwang en wil ik de dierentransporteur opnieuw bellen.
Leunend tegen de buitenmuur bel ik zijn nummer. De dierentransporteur zegt dat hij juist klaar is met het fouilleren van Pini en bezig is de reiskooi dicht te schroeven. En het boeken van de last-minute IS GELUKT!!! Mijn humeur kan niet meer stuk.
“Valter hieah nog watte neukah?” roep ik opgetogen als ik weer naar binnen loop.
De kantine is leeg.
De temperatuur wordt langzamerhand al weer flink hoog en we verhuizen onze stoeltjes naar buiten waar we uit blinde verveling ons vierde kopje koffie uit de automaat drinken. Om de beurt maken we een wandeling rondom de kantine, want ver weg durven we niet te gaan. We zouden vandaag immers als eerste geholpen worden …
Na 6 uur wachten is het zover. Het is inmiddels 1 uur ’s middags.
De datumgrens
Op de een of andere manier leek het ons onnatuurlijk om in slechts 1 enkel etmaal compleet geëmigreerd te zijn. Een tocht naar de andere kant van de wereld hoort ‘evolutietechnisch’ langer te duren. Zoiets moet vol ontberingen zijn, zoals een zeetocht in storm en hagel, een afgebrand zeil en scheurbuik, zodat het eindpunt ook ècht ‘verdiend’ is. Een vliegtripje lijkt te gemakkelijk in het licht van de mijlpaal die een verhuizing naar een ander land voorstelt.
Nu ben ik best genegen om dat rare idee enig eigentijds gewicht te geven, daarom hadden we als ontbering een week Disneyworld geboekt als tussenstop. Voor twee grote mensen. Dan zou de herinnering aan ons vertrek op Schiphol in elk geval heel ver weg lijken als we uiteindelijk in Nieuw-Zeeland zouden uitstappen.
< < <
Voorlopig duurt dat uitstappen nog uren. Op de rijen beeldschermpjes achterop de hoofdsteunen zie ik identieke films voorbijflitsen. De stoelen worden allemaal de volle 10 centimeter naar achteren gekrikt en de meeste mensen sluiten het klepje voor het raam. Het irriteert me dat zij de baas zijn over de raampjes. “De raampjes zijn ook van mij!” denk ik boos in het middenpad.
Ik prop mijn jas achter mijn hoofd en sluit mijn ogen. Die jas had ik bijna een jaar geleden gekocht op een herfstdag in Amsterdam. Om mezelf te troosten nadat ik de Engelse test, die voor de Nieuw-Zeelandse verblijfsvergunning vereist was, zo grondig had verpest …
< < <
Ik had het idee gehad dat ik het lezen en schrijven in het Engels inmiddels wel zo’n beetje onder de knie had, maar ik was daarentegen wel doodzenuwachtig voor de mondelinge test. Zodra ik moest improviseren en in mijn ongeordende woordenschat moest gaan zoeken, vielen er veel te lange stiltes. Gedurende de schriftelijke test in de ochtend, voelde ik me weer precies zoals 22 jaar geleden op de middelbare school. “Ik schrijf deze antwoorden nu wel op, maar ze kunnen onmogelijk kloppen. Dit is een test, dus zo simpel kan het niet zijn, er moet een addertje onder het gras zitten. Het eerste antwoord wat in me opkomt, kan nooit goed zijn. Ik heb niet opgelet. Het is te veel. Het is te laat. Ik kan het nooit meer inhalen. Het is zonde van mijn tijd. Ik moet hier weg!”
In de lunchpauze voorafgaand aan het mondelinge gedeelte, haastte ik me naar een café verderop. Ik had een plan. Ik slokte gulzig twee glazen port naar binnen voor de onontbeerlijke zelfoverschatting.
Maar nadat de examinator mijn uitgestoken hand negeerde, ging het mogelijke effect van mijn anticipatie al onmiddellijk weer verloren. Mijn uit het hoofd geleerde verhaal over mijn werk rolde probleemloos uit mijn mond, al leek het plotseling wel veel korter dan de meeslepende monoloog die ik thuis voor de spiegel had geoefend.
Terwijl ik mijn hersenen koortsachtig afzocht naar nog een paar extra volzinnen, onderbrak de examinator de aanzwellende stilte met een nieuw onderwerp: “Wat was de meest indrukwekkende brief die u in uw leven gekregen heeft? U krijgt 1 minuut om hierover na te denken”.
Ik sloeg in gedachte gauw een dankkruis omdat ik het antwoord meteen al wist. Ik zou hem immers vertellen over de enthousiaste email van de galeriehouder in Nieuw-Zeeland. Zo kon ik het gesprek tenminste houden bij het onderwerp waar ik iets van af wist.
Een paar maanden eerder had ik drie schilderijen vooruit gestuurd naar Auckland, zodat Sean, de baas van een galerie die al generaties lang door vaders en zonen werd gerund, ze in het ècht kon zien. Tot dan toe had ik hem alleen met digitale plaatjes gestalkt, maar zeg nou zelf; als ìk galeriehouder zou zijn, dan zou ik daar ook geen mooie beloftes op durven doen. Het opsturen van de schilderijen was in dit speciale geval niet eens zo’n lichtvaardige actie, want de schilderijen moesten tenslotte toch ééns naar Nieuw-Zeeland vervoerd worden. Als Sean mijn werk bij nadere beschouwing niks vond, pikte ik ze later gewoon weer op.
Voor de verzending had ik een werkelijk adembenemende flightcase laten bouwen. Je weet wel; zo’n zwarte kist met stalen randen en bolle hoeken waar popsterren ook hun apparatuur in vervoeren. Tja, geen middel werd geschuwd om Sean fijntjes onder de neus te wrijven dat hij niet met de eerste de beste van doen had. Ik ben dan wel geen popster, maar ik heb wel precies dezelfde allures.
Sean was inderdaad verpletterd en schreef dat hij trappelend van ongeduld uitkeek naar méér.
Ik had hem terug geschreven dat ik naar zijn galerie zou komen zodra ik nummer 4 en 5 in Nieuw-Zeeland af had gemaakt.
De brief van Sean was weliswaar niet ècht de meest indrukwekkende brief van mijn leven, maar wat ging dat de examinator aan?! Daar konden ze me toch niet op laten zakken? Ze konden toch niet zeggen: “Ach mevrouwtje, noemt u dàt indrukwekkend? Kom nou toch, daar trappen wij niet in. Indrukwekkende brieven gaan namelijk over dood, over onechte kinderen of over sprankjes hoop in een onbereikbare liefde. Maar niet over een galeriehouder met gladde praatjes!”
Terwijl mijn gedachten alvast afdwaalden naar mijn verdediging over het belang van mijn gekozen brief, ging de vinger van de examinator omhoog. De gratis minuut was voorbij en ik realiseerde me dat ik geen seconde had besteed aan het antwoord op de wèrkelijke vraag. Ik ging verder met stotteren en probeerde het verhaal nog wat smeuïger te maken met interessante gebaren en leuke damesachtige stembuigingen, maar ik merkte dondersgoed dat ik in mijn wanhoop wel wat rare woorden gebruikte. Maar vooruit … ik zette mijn meest ontwapenende oogopslag in. Daar hèb ik hem tenslotte voor.
Ik was nog niet helemaal klaar met mijn betoog toen de examinator iets ingewikkelds vroeg over ‘de toekomst van het geschreven woord’. Ik dacht woorden op te vangen als ‘ministry, profession en academic’ en vroeg hem om de vraag nog eens te herhalen …
Ik voelde de langverwachte vastloper al aankomen en mijn beeld sprong terstond in de sneeuwstand. De examinator zag dit waarschijnlijk ook en beschouwde het mondelinge examen daarmee als beëindigd.
Op de weg terug naar het centraal station was ik opgelucht dat deze rotdag voorbij was en mismoedig hoopte ik dat ik voor het herexamen een andere examinator zou krijgen. Bah! En toen kocht dus die jas. Die nu achter mijn hoofd gepropt zat. Als troost.
Twee weken later lag de enveloppe in de bus. Het eindcijfer was tòch nog een 6,5 ! En voor spreken een 7
“Hoe is het mógelijk …?! Hoe is het mógelijk …?! Hoe is het mógelijk …?!” heb ik twee dagen lang achter elkaar geroepen.
< < <
Ergens boven de Grote Oceaan, dichtbij de Nieuw-Zeelandse kust, schrikt iedereen wakker door een harde knal en een schokkende beweging van het vliegtuig. De piloot stelt ons gerust met de mededeling dat het vliegtuig geraakt werd door de bliksem … no worries.
Zou dat de datumgrens zijn geweest?
Auckland
“U mag eigenlijk helemaal niet op bezoek komen,” zegt de vrouw van het quarantainepension als we ’s middags druipend van de regen aan de balie staan. “Daar zijn vastgestelde uren voor!”
Hier had ik niet op gerekend en weet secondenlang niks te zeggen. Mijn Engelse woordenschat is weer eens ontoereikend voor de verbijstering die ik voel. “Vraag of we een taxi mogen bellen!” elleboog ik tegen Frank, die wèl ongeremd Engels spreekt. “Ik ga niet weer dat hele kolere eind terug lopen.”
Omdat het onze eerste keer is en we juist een treinreis en een wandeling van ‘n uur door de striemende regen achter de rug hebben, strijkt ze over haar hart en mogen we onze poes 10 minuutjes zien. We lopen achter de vrouw aan door drie stalen hekken en vegen onze schoenen af aan een in zeepsop ondergedompeld matje.
“We hadden u vorige week al verwacht,” zegt de vrouw licht beschuldigend.
Ik zeg naar waarheid dat we vanmorgen pas gearriveerd zijn, maar durf niet te zeggen dat we ons in de afgelopen week hersenloos hebben laten vermaken door schoolverlaters in Disneykostuums.
De vrouw gaat ons voor naar een gang met aan beide kanten een stuk of tien manshoge hokken met een vloeroppervlak van ongeveer anderhalf bij anderhalve meter.
Hok nummer 4 wordt ontgrendeld en ze gebaart dat wij het hok in mogen. We staan dicht tegen elkaar aan en de vrouw laat ons alleen.
Pini heeft rechtopstaand haar van angst en zit in het verste hoekje dat ze heeft kunnen vinden.
Nog steeds.
Na negen dagen!!!
Ze kijkt ons eerst 30 seconden met grote ogen aan en begint dan als een wilde onze handen te likken en loeihard te knorren. En tegen ons aan te klimmen en te koppen.
Geweldig is het! En we voelen ons schuldig tot op het bot.
Na precies tien minuten wordt er door een luidspreker omgeroepen dat we de route van de drie hekken weer terug moeten volgen.
Wat vreselijk om Pini’s hok weer achter ons te moeten sluiten. Ze roept ons nog een hele tijd na en drukt haar wang tegen het hek om ons nog zo lang mogelijk te zien … Oooh, het gaat door merg en been.
“Overmorgen komen we weer,” kondigen we aan als we de balie passeren. Al vraag ik me af wat nu beter is; Misschien is het wel heel akelig voor Pini als we haar dan wéér alleen moeten achterlaten. Of is het juist een geruststelling als haar ouders steeds opnieuw terug blijken te komen?
< < <
De volgende regenachtige morgen staan we weer op hetzelfde perron en stappen we in dezelfde trein als die waarmee we naar Pini waren geweest. We gaan deze keer echter naar de autoboulevard die we gisteren langs het spoor hadden zien liggen.
In Nederland hadden we het plan opgevat om een auto te kopen op een autoveiling -iets wat hier vrij gebruikelijk en grootschalig schijnt te zijn- maar op het moment dat de verlichte ramen met de glimmend gepoetste auto’s langs de beregende treinraampje flitsten, bedachten we bliksemsnel allerlei redenen waarom het beter zou zijn om iets uit te kiezen bij de eerste de beste autohandelaar. Weliswaar in 2ehands auto’s, maar toch een soort èchte winkel.
“Volgens mij,” begin ik tegen Frank, “hebben Nieuw-Zeelandse autohandelaren hele Eerlijke Ogen.”
“Ik vind het belangrijk dat het in een showroom warm en droog is,” zegt Frank met een zorgzame blik. “Voor de auto’s zèlf ook.”
Hoe dan ook … het maakt niet uit waarmee we gewillig de koopzucht van de ander sussen. We hadden immers een enkeltje voor de trein gekocht.
“Welke heb je op het oog,” vraag ik.
“Die blauwe.”
“Waarom zo groot?”
“Bij een botsing winnen wij.”
Ik denk niet dat dit voor een man de volledige reden is om een 4×4 te willen, maar ik vind het goed genoeg. Een botsing lijkt me in mijn geval zeker niet ondenkbaar, zolang ik nog niet gewend ben om links te rijden. En het ietsje hoger zitten dan de andere weggebruikers geeft een leuk gevoel van macht.
We rijden in een leenauto terug naar de stad met de belofte dat de uitverkoren Pajero morgen afgestoft, ingevet en gekeurd zal zijn. Als we tenminste vlug aan 9500 dollar cash kunnen komen.
Het geld voor de Pajero schrapen we de volgende morgen moeiteloos bij elkaar. Voor ècht belangrijke dingen lukt dat nooit zo snel, maar voor leuke dingen wel.
< < <
De volgende dag is de auto niet klaar. We voelen ons heel vergevingsgezind, want we hebben tenslotte de leenauto.
We rijden door naar Pini, keurig op tijd voor het bezoekuur. De eerste keer was het noodgedwongen een vluggertje, dus vandaag calculeren we ruim een uur quality-time in. Er staan nu veel meer auto’s op de parkeerplaats, maar binnen is het even stil als de vorige keer.
Tot onze vreugde ziet ze er niet meer zo angstig uit. “Blijkbaar heeft jullie bezoek haar zelfvertrouwen gegeven,” geeft de vrouw zuinig toe.
Om de beurt mag een van ons zich op de grond wurmen om zich uitgebreid te laten koppen, zodat de ander kan plaatsnemen op de hoge wiebelende krabpaal. Bij wijze van barkruk.
Na drie kwartier begint Pini ons zat te worden en gaat zowaar uit zichzelf in haar mandje liggen in een soort verhoogde bedstee. Ik ontdek tot mijn vreugde dat in alle hokken een klein electrisch dekentje in de mandjes ligt.
Als we ons afgewezen beginnen te voelen lopen we voorzichtig achteruit het hek door. Maar dàt is natuurlijk niet de bedoeling. Luid miauwend kijkt zij ons na … Tja, zeg nou zèlf … als je in het ziekenhuis ligt heb je eigenlijk ook geen zin om je bezoek een vol uur te amuseren. Maar als je dan wegsuft moeten ze natuurlijk ook niet de gore moed hebben om te proberen achteruit tussen het gordijn door te verdwijnen …
< < <
Aan het einde van de middag van onze laatste dag in Auckland, kunnen we de auto ophalen. Maar we gaan eerst nog één keer naar Pini. Als verrassing nemen we dit keer een prachtige kartonnen doos mee. Met onderin een t-shirt uit Franks eigen reiscollectie! Met het kinderschaartje uit de e.h.b.o.doos heb ik kijkgaatjes in de zijkanten van de kartonnen doos geknipt.
Het kado wordt langdurig bekeken, beroken en geprobeerd, waarna het kopjesritueel weer begint. Haar buurkat vindt het ook razend interessant en zit het hele uur smekend te kijken met de neus plat op het plexiglazen tussenwandje. Zo nu en dan afgewisseld met het theatraal uitrukken van stukken vacht. Op zijn deurtje lees ik dat die kat er al een paar maanden zit, dus goed voor de geestelijke gezondheid is het kennelijk niet.
Het lijkt alsof Pini geruster is nu we af en toe in haar bezemkast verschijnen. We hebben maar niet gezegd dat we hierna minstens een week zullen wegblijven.
Nadat we de halve middag hebben rondgehangen in een straal van 1 kilometer rond de garage van de Eerlijke Ogen, is de auto om 5 uur eindelijk klaar. We kunnen weg.
Naar de plek waar we 2 jaar eerder besloten dat we er wilde blijven.
(de rest van dit verhaal kun je in het Engels lezen in mijn BLOG)